De laadpaal is besteld, de inductieplaat staat op de planning of er komt een airco bij. Pas daarna gaat de deur van de meterkast open en blijkt dat de vraag niet is óf er een groep bij mag, maar of er nog fysiek ruimte voor is. Dat is het moment waarop een klus van een uur uitloopt naar een offerte voor een complete nieuwe kast.
Vrijwel alles wat je online vindt over dit onderwerp gaat over wanneer je mag uitbreiden en wat een elektricien daarvoor rekent. Dat is de makkelijke helft. De helft die ertoe doet gaat over de kast zelf: hoeveel ruimte je nog hebt, hoeveel ruimte elk onderdeel inneemt, en welke keuze in componenten het verschil maakt tussen bijplaatsen en vervangen.
Die ruimte reken je niet in groepen, maar in module-eenheden. Eén module is 17,5 mm op de DIN-rail. Een 12-positie kast biedt dus twaalf modules, en dat zijn geen twaalf groepen: je hoofdschakelaar en je aardlekschakelaars zijn al 2 tot 4 modules per stuk kwijt voordat je de eerste groep hebt aangesloten.
Hieronder staat per component hoeveel modules hij inneemt, een rekentool die uitrekent of jouw uitbreiding past, en de twee dingen waar het in de praktijk op stukloopt: de breedte van je aardlekbeveiliging en het aantal groepen dat je erachter hangt.
Tel eerst je modules, niet je groepen
Open de kast en tel de vrije posities op de rail. Reken daarbij niet mee wat je denkt weg te kunnen halen, want dat verandert bij de meeste uitbreidingen niets. Wat je overhoudt is je werkbudget, en dat geef je uit aan onderdelen met een vaste breedte.
Die breedtes verschillen sterk, en vooral tussen 1-fase en 3-fase. Onderstaande waarden komen uit ons eigen assortiment, waarin de modulebreedte per product als specificatie is vastgelegd.
Installatieautomaat
1-fase: 1 module
3-fase: 4 modules
De smalste optie, maar hij beschermt alleen tegen overbelasting en kortsluiting. Aardlekbeveiliging komt apart.
Aardlekautomaat
1-fase: 1 of 2 modules
3-fase: 4 modules
Let op het verschil. Ongeveer drie op de tien 1-fase uitvoeringen is 1 module breed, de rest is 2.
Aardlekschakelaar
1-fase: 2 modules
3-fase: 4 modules
Zonder uitzondering. Er bestaat geen smallere uitvoering, dus een tweede aardlek kost je altijd minimaal 2 posities.
Hoofdschakelaar
1-fase: 2 modules
3-fase: 4 modules
Deze haal je niet weg, maar controleer wel of hij de extra belasting aankan voordat je groepen bijplaatst.
De les uit dit rijtje: een 3-fase groep kost je vier posities, wat je ook kiest. Bij 1-fase heb je wél iets te kiezen, en daar zit ruimte te winnen.
Reken een gangbare situatie eens na. Een 1-fase woningkast met één rij van 12 posities bevat een hoofdschakelaar van 2 modules en twee aardlekschakelaars van elk 2 modules. Dat is 6 modules kwijt aan beveiliging en schakelen. Blijven er 6 over voor installatieautomaten van 1 module, dus zes eindgroepen. Die kast is vol bij zes groepen, terwijl er twaalf posities op de rail zitten. Precies dat verschil verklaart waarom zoveel mensen denken dat er nog ruimte is.
Bij 3-fase loopt het sneller op. Een hoofdschakelaar van 4 modules plus één 3-fase aardlekschakelaar van 4 modules kost al 8 van de 12 posities, en elke 3-fase groep daarna nog eens 4. Een 3-fase kast van één rij is daarmee in de praktijk een kast voor één krachtgroep plus wat 1-fase groepen, niet meer.
Wat je controleert voordat je iets bestelt
Vier dingen bepalen of een uitbreiding een klus van een uur wordt of een offerte voor een nieuwe kast. Loop ze in deze volgorde langs, want elke stap kan de volgende overbodig maken.
- Tel de vrije posities, niet de vrije ruimte. Een gat van drie posities midden op de rail is bruikbaar, maar alleen als je component daar ook fysiek naast de bestaande bedrading past en de kamrail doorloopt. Meet in modules, niet in centimeters.
- Kijk hoe de bestaande groepen over de aardlekschakelaars verdeeld zijn. Zitten er al vijf of zes groepen achter één aardlek, dan is de nieuwe groep erbij hangen technisch toegestaan maar praktisch onverstandig. Zie de sectie hieronder.
- Noteer de waarde van de hoofdschakelaar en van je aansluiting. Die staan op het front van de schakelaar en op de meter. Een groep bijplaatsen die de aansluitwaarde overschrijdt levert geen ruimteprobleem op maar een verzwaringstraject bij de netbeheerder.
- Bepaal welk type aardlekbeveiliging de nieuwe groep nodig heeft. Een gewone eindgroep komt uit met wat er al hangt. Een laadpaal, omvormer of frequentiegeregelde apparatuur vraagt om een type dat ook gelijkfoutstromen ziet, en dat is een ander component met een andere breedte.
Reken uit of jouw uitbreiding past
Tel de posities op je rail, tel wat er bezet is, en kies wat erbij moet. De uitkomst zegt of het past en zo niet, wat de kortste route is naar wél passen.
Past mijn uitbreiding in de kast?
Eén positie op de DIN-rail is één module van 17,5 mm.
De aardlekautomaat is je ruimtewinst
Reken het klassieke recept eens door. Een 1-fase groep die zijn eigen aardlekbeveiliging krijgt, kost met losse componenten een aardlekschakelaar van 2 modules plus een installatieautomaat van 1 module. Samen 3 modules voor één groep.
Diezelfde groep met een aardlekautomaat kan 1 module zijn. Dat is 2 posities winst, en bij twee of drie groepen tegelijk loopt dat op tot het verschil tussen een uitbreiding die past en een kast die vervangen moet worden.
De valkuil zit in de aanname dat elke aardlekautomaat smal is. Van de 1-fase uitvoeringen in ons assortiment is ongeveer een derde 1 module breed en de rest 2 modules. Bestel je op merk en ampèrewaarde zonder op de modulebreedte te letten, dan kan die winst zomaar verdampen. Controleer bij een krappe kast dus altijd de specificatie voordat je bestelt.
Bij 3-fase gaat die vlieger niet op. Een 3-fase aardlekautomaat is 4 modules, net zoveel als een 3-fase installatieautomaat. Daar kies je niet voor de ruimte maar voor de functie: een eigen aardlekbeveiliging per groep betekent dat een lekstroom in de laadpaal de rest van de installatie niet meeneemt.
Let bij nieuwe groepen ook op het type aardlekbeveiliging. Voor een laadpaal of een omvormer is type A niet altijd voldoende. Hoe je die keuze maakt en hoe je de componenten vervolgens aansluit, staat in hoe sluit ik een aardlekschakelaar of automaat aan.
Hoeveel groepen mogen er achter één aardlekschakelaar?
Dit is de vraag waar de meeste uitbreidingen op stranden, en het antwoord dat overal circuleert klopt niet meer. Jarenlang gold in Nederland dat er maximaal vier eindgroepen achter één aardlekschakelaar van 30 mA mochten zitten. Dat was een nationale bepaling, geen internationale.
Met NEN 1010:2020 is die bepaling vervallen. Sinds de publicatie op 1 april 2021 is het aantal eindgroepen achter een aardlekschakelaar niet langer genormeerd. Dat ging niet zonder slag of stoot: brancheorganisatie Fedet heeft er destijds formeel bezwaar tegen aangetekend.
Formeel mag het dus. Praktisch wil je het meestal niet, om twee redenen. De eerste is hinder: hoe meer groepen achter één aardlek, hoe meer de klant zonder stroom zit bij één defect apparaat. De tweede is optelling van lekstromen. Omvormers, laadpalen, LED-drivers en schakelende voedingen lekken allemaal een beetje, en die stromen tellen op. Vier moderne groepen achter één aardlekschakelaar van 30 mA kunnen samen al dicht bij de aanspreekwaarde komen zonder dat er iets kapot is.
Voor een uitbreiding betekent dat het volgende. Zit er nog ruimte achter je bestaande aardlekschakelaar en gaat het om een gewone eindgroep, dan is een installatieautomaat van 1 module de goedkoopste en smalste oplossing. Gaat het om een laadpaal, een omvormer of een warmtepomp, geef die dan zijn eigen aardlekbeveiliging. Dat is geen norm, dat is voorkomen dat de halve woning uitvalt als er één ding stuk is.
Als de kast echt vol is
Levert de rekentool hierboven een tekort op dat je niet met smallere componenten oplost, dan zijn er twee richtingen. Een uitbreidingskast naast de bestaande groepenkast, gevoed vanuit de hoofdschakelaar, of een onderverdeler verderop in het pand op de plek waar de nieuwe groepen nodig zijn.
De uitbreidingskast is de standaardoplossing bij een meterkast die nog ruimte aan de wand heeft. Ze zijn er van 6 tot 36 posities en de gangbare merken sluiten qua hoogte en afdekking aan op de bestaande kast. De onderverdeler is interessant als de nieuwe groepen toch al ver van de meterkast liggen, bijvoorbeeld bij een garage, een werkplaats of een laadplein. Je legt dan één zwaardere voeding en verdeelt ter plekke, in plaats van vier losse leidingen door het hele pand te trekken.
Drie dingen die bij die stap regelmatig misgaan:
- De kamrail past niet bij het aantal polen. Een rail voor 1-fase componenten (fase plus nul) is niet uitwisselbaar met een 3-fase rail. Controleer ook de stroomsterkte van de rail zelf: een gangbare 4-polige kamrail is uitgevoerd in 16 mm² en tot 80 A, en dat is niet vanzelfsprekend genoeg voor elke verdeling.
- Een ingekorte kamrail wordt niet afgedopt. Knip je een rail op maat, dan blijven er blanke pennen over aan het uiteinde. Die horen afgedekt te worden met de bijbehorende eindkap, niet met tape.
- De aansluiting trekt het niet. Bij 1x35 A is het maximum ongeveer 8.050 W, bij 3x25 A ongeveer 17.250 W. Een laadpaal van 11 kW erbij op een 1-fase aansluiting is rekenkundig al onmogelijk, hoeveel vrije modules je ook hebt. Dan gaat het gesprek niet over de kast maar over verzwaren bij de netbeheerder.
Werk tot slot de groepenkaart bij. Dat klinkt als een formaliteit, maar het is het eerste waar een volgende monteur naar kijkt en het eerste waar een verzekeraar naar vraagt.
Veelgestelde vragen over de groepenkast uitbreiden
De vragen die we in de praktijk het vaakst krijgen.
Een rij in een woninggroepenkast heeft meestal 12 of 18 posities van 17,5 mm. Met twee rijen kom je op 24 of 36. Dat aantal zegt niets over het aantal groepen: de hoofdschakelaar kost al 2 tot 4 modules en elke aardlekschakelaar nog eens 2 tot 4.
Werken in de groepenkast is werken aan een installatie die onder spanning staat. Laat het uitvoeren door iemand die daar volgens NEN 3140 voor is aangewezen. In je eigen woning is het niet verboden, maar bij schade of brand kijkt een verzekeraar naar de uitvoering en naar de groepenkaart.
Niet binnen de kast alleen. De aansluiting moet eerst door de netbeheerder worden verzwaard. Daarna is vrijwel altijd een nieuwe of sterk aangepaste kast nodig, want 3-fase componenten zijn 4 modules breed tegen 1 tot 2 modules voor de 1-fase uitvoering.
Als er geen aardlekbeveiliging aanwezig is, als de kast nog met smeltpatronen werkt, als er geen ruimte meer is voor een tweede aardlekschakelaar, of als er structureel meer dan een paar groepen bij moeten. In die gevallen is uitbreiden vaak duurder dan in één keer vervangen.
Niet automatisch. Sinds NEN 1010:2020 is de oude eis van maximaal vier eindgroepen achter één aardlekschakelaar vervallen. Voor een laadpaal, omvormer of warmtepomp is een eigen aardlekbeveiliging wel verstandig, omdat lekstromen van dat soort apparaten optellen en de rest van de installatie meenemen bij een storing.
Uitbreiden of vervangen is uiteindelijk een rekensom in modules, niet in groepen. Bekijk onze groepenkast-componenten voor de onderdelen die daarbij horen. Twijfel je of een uitbreiding in jouw kast past? Neem contact op met onze specialisten.