Een VvE met een parkeergarage van 24 plekken wil vandaag zes laadpalen en over een paar jaar misschien alle 24. Leg je voor elke laadpaal een eigen ronde kabel vanaf de hoofdverdeler, dan trek je uiteindelijk 24 kabels door dezelfde garage en zit de verdeler vol met groepen. Een vlakbandkabel lost dat op: één kabel langs de wand, met een aftakking bij elke parkeerplek, nu of later.
De kabel zelf is het eenvoudige deel. Waar het in de praktijk misgaat, is de beveiliging per aftakking en het dimensioneren. Hoeveel laadpunten kun je echt op één streng zetten? En hoe zorg je dat elk laadpunt volgens NEN 1010 een eigen eindgroep met een eigen aardlekbeveiliging heeft? Daar blijven de meeste uitleggen vaag over, terwijl het ontwerp daar staat of valt.
Een vlakbandkabel is een platte voedingskabel met vijf aders van 16 mm² naast elkaar (5G16: L1, L2, L3, N en PE). Aftakmodules drukken met piercing-contacten door de isolatie heen op de koperen aders, zonder dat je de kabel doorknipt of stript. De hoofdkabel blijft dus heel, en het systeem is belastbaar tot 63 A per fase.
Hieronder lees je welke onderdelen er in een streng zitten, hoe je elke aftakking beveiligt, hoeveel laadpunten er op één streng passen en welke fouten je voorkomt. Met de rekentool check je direct de stroom per laadpunt en de spanningsval van je eigen streng.
Eén kabel, aftakken waar je wilt
Bij een ronde kabel betekent elke aftakking: kabel doorknippen, strippen en in een verdeeldoos opnieuw verbinden. Bij tien laadpunten heb je tien lasverbindingen in de hoofdleiding, en elke verbinding is een plek waar het mis kan gaan. Bij een vlakbandkabel plaats je de module op de kabel, draai je de schroeven aan en snijden de contactmessen door de isolatie heen op de juiste ader. De aders liggen in een vaste volgorde, dus de module kan niet verkeerd om contact maken.
Het grote voordeel voor een VvE of bedrijfsterrein zit in de uitbreiding. Je legt nu de streng over de volle lengte van de garage en plaatst alleen modules bij de plekken die vandaag een laadpaal krijgen. Komt er later een laadpaal bij, dan zet je een extra module op de spanningsloos gemaakte streng (volgens NEN 3140). Er hoeft geen nieuwe kabel naar de hoofdverdeler en er komt geen groep bij in de verdeler.
De 5G16-vlakbandkabel is 48 mm breed en 11,5 mm dik, met een nominale spanning van 0,6/1 kV. Wij leveren twee uitvoeringen: de halogeenvrije Wieland Podis LSHF en de eWall-vlakbandkabel van Top Cable. Beide werken met dezelfde Wieland-modules en dezelfde eindkap.
Vlakbandkabel 5G16
Vijf aders van 16 mm² naast elkaar, per meter geleverd. Loopt over de volle lengte van de garage.
63 A per fase, 0,6/1 kV
48 × 11,5 mm, Wieland Podis LSHF of eWall
Aansluitmodule
Dezelfde module gebruik je om de streng te voeden en om een laadpunt af te takken. De ronde kabel gaat via een M32-wartel naar binnen.
63 A, IP65, ronde kabel 1,5 tot 16 mm²
Wieland 75.456.0053.1, slagvast IK10
Dubbele uitgang
Twee aftakkingen uit één module. Handig bij een kolom met aan weerszijden een parkeerplek.
63 A, 2 × M32, IP65
Wieland 75.456.0353.1
RST-connector
Een stekkerbare uitgang (RST25i5) op de streng. Voor een laadpunt of armatuur die je wilt kunnen loskoppelen zonder de klemmen open te maken.
Uitgang 25 A, streng loopt door op 63 A
Wieland 75.453.0053.1, IP65
Eindkap
Sluit het open einde van de streng af. Zonder eindkap liggen de aderuiteinden open en is de streng niet IP65.
IP65, past op 5G16 en 5G25
Wieland Z6.564.7053.1
Beugels
Houden de streng vlak tegen wand, balk of plafond. Een strak liggende streng maakt het plaatsen van modules later een stuk eenvoudiger.
Beugel 50 mm
Voor de 48 mm brede kabel
De Wieland aansluitmodule voor feed-in en aftakking is het onderdeel dat je het vaakst nodig hebt: één aan het begin van de streng voor de voeding, en één per laadpunt.
Elk laadpunt krijgt een eigen eindgroep
Voor laadvoorzieningen heeft NEN 1010 een eigen deel (7-722). Dat komt op drie eisen neer. Elk aansluitpunt wordt gevoed door een eigen eindgroep met een eigen overstroombeveiliging. Elk aansluitpunt heeft een eigen aardlekbeveiliging van maximaal 30 mA. En die aardlek is minimaal type A, aangevuld met bescherming tegen DC-lekstromen: een type B, of een type A in combinatie met 6 mA DC-detectie. Die beveiliging mag in de laadpaal zelf zitten.
Een vlakbandkabel is dus geen eindgroep waar je tien laadpalen direct op aansluit. Het is een verdeelleiding, en de eindgroep begint bij elke aftakking. In de praktijk zijn er twee manieren om dat in te vullen:
Laadpaal met ingebouwde beveiliging
De laadpaal heeft zelf een installatieautomaat en een aardlek met DC-detectie aan boord. Je takt met een korte ronde kabel direct van de module naar de laadpaal. Er komt geen extra kastje aan de wand.
Voorbeeld: de Zaptec Pro heeft een 3 × 40 A C-automaat en een aardlek type B (30 mA) ingebouwd en mag achter maximaal 63 A worden aangesloten.
Laadpaal zonder volledige beveiliging
Bij de aftakking komt een klein opbouwkastje met een aardlekautomaat. Heeft de laadpaal 6 mA DC-detectie, dan volstaat type A. Zo niet, dan kies je type B. Vanuit het kastje ga je naar de laadpaal.
Plaats het kastje dicht bij de aftakking, zodat het stuk kabel tussen module en automaat binnen de 3-meterregel blijft (zie hieronder).
Twijfel je welk aardlektype bij welke laadpaal hoort, lees dan aardlekschakelaar type A, AC of B: welke heb je nodig?
De aftakkabel tussen module en automaat
Het stuk ronde kabel tussen de module en de automaat verdient aandacht, want daar zit alleen de voorbeveiliging van de streng voor. Tegen overbelasting is dat stuk beschermd door de automaat aan het eind: er zit maar één verbruiker op, dus meer stroom dan de automaat doorlaat kan er niet door. Voor kortsluiting leunt de aftakkabel op de voorbeveiliging van de streng, of op de 3-meterregel uit NEN 1010. Die regel staat toe dat de beveiliging verderop in de aftakking zit, zolang dat stuk niet langer is dan 3 meter, kortsluitvast is aangelegd, niet bij brandbaar materiaal ligt en er geen andere aftakkingen tussen zitten. Reken het voor je eigen situatie na.
Voor de kabelmaat is de automaat in de laadpaal leidend. Bij een 40 A-automaat is 10 mm² de gangbare keuze. De klemmen van de Zaptec Pro nemen 2,5 tot 10 mm² op, de Wieland-module 1,5 tot 16 mm².
Aftakken, niet doorlussen
De backplate van de Zaptec Pro mag je aansluiten op een 63 A-groep, maar hij is niet bedoeld om 63 A door te voeren naar de volgende laadpaal. Volgens de installatiehandleiding van Zaptec mag je alleen doorlussen als de voorbeveiliging maximaal 40 A is. Op een 63 A-streng tak je daarom elke Zaptec apart af vanaf de vlakbandkabel.
Hoeveel laadpunten passen er op één streng?
Het uitgangspunt is 63 A per fase. Wat je daarmee kunt, hangt volledig af van de vraag of er laadbeheer op zit.
Zonder laadbeheer moet je volgens NEN 1010 rekenen met een gelijktijdigheid van 1: elk laadpunt kan op vol vermogen laden, dus je telt alle laadpunten volledig op. Op 63 A passen dan drie laadpunten van 11 kW (3 × 16 A = 48 A) of één van 22 kW. Tien laadpalen zonder laadbeheer op een 63 A-streng voldoet dus niet.
Met dynamisch laadbeheer verdeelt het systeem de beschikbare stroom over de auto's die op dat moment laden. De ondergrens is 6 A per laadpunt: daaronder start een laadsessie niet. Laden alle auto's driefasig, dan kunnen er 10 tegelijk laden (63 / 6). Laden ze eenfasig en zijn de laadpunten over de drie fasen verdeeld, dan zijn dat er 30. Wieland noemt zelf maximaal 20 laadstations per streng. Houd dat als bovengrens aan en reken uit of de stroom per laadpunt acceptabel blijft. Het laadbeheer bewaakt vaak ook de hoofdaansluiting van het gebouw. Hoe dat werkt en wat je per merk nodig hebt, lees je in laadpaal met load balancing: wat heb je allemaal nodig?
Spanningsval: reken vanaf de aansluiting
Wieland geeft voor de Podis 5G16 een spanningsval van 2,67 V per ampère per kilometer. Bij een driefasige belasting reken je dat af tegen 400 V. NEN 1010 legt de grens op 5% (bijlage 52.G, bij voeding uit het openbare laagspanningsnet), en die 5% geldt vanaf de aansluiting tot aan het laadpunt. De voedingskabel van de hoofdverdeler naar het begin van de streng telt dus mee.
Twee dingen werken in je voordeel. Ten eerste zit de belasting niet helemaal aan het eind van de streng, maar is die verdeeld over de lengte. Bij gelijk verdeelde laadpunten is de spanningsval ongeveer de helft van het geval waarin alles aan het eind hangt. Ten tweede kun je de aansluitmodule overal op de streng plaatsen. Voed je de streng in het midden in plaats van aan het begin, dan draagt elke helft de helft van de stroom over de halve lengte. De spanningsval in de streng wordt dan ongeveer een kwart.
Stroom per laadpunt en spanningsval van je streng
Indicatieve berekening op basis van 2,67 V/A·km (Wieland Podis 5G16) en 400 V, met gelijk verdeelde laadpunten en voeding aan het begin van de streng. Vervangt geen installatieontwerp.
Rekenvoorbeeld
Neem een parkeergarage onder een appartementencomplex met 24 plekken. De streng is 70 meter, de voorbeveiliging 3 × 63 A en in de eerste fase komen er 12 laadpunten. Dit is een fictief voorbeeld, maar de getallen zijn herkenbaar voor elke VvE-garage.
- Driefasig laden: 63 A gedeeld door 12 is 5,25 A per laadpunt, net onder de 6 A. Laden alle twaalf auto's tegelijk, dan laden er 10 op ruim 6 A en wachten er 2. Omdat niet alle auto's tegelijk aankomen en vol hoeven, is dat zelden een probleem.
- Eenfasig laden, over de fasen verdeeld: 4 laadpunten per fase, dus 15,75 A per laadpunt, ongeveer 3,6 kW per auto.
- Spanningsval: 2,9% als alle stroom aan het eind zou hangen, 1,6% met gelijk verdeelde laadpunten. Met 1% voor de voedingskabel kom je op 2,6%. Ruim binnen de 5%.
- Doorgroeien naar 24: dat zijn er meer dan de 20 die Wieland per streng noemt. Leg daarom meteen twee strengen van 12 plekken, elk vanuit een eigen 63 A-groep, of houd rekening met een tweede streng in de verdeler.
Waar het in de praktijk misgaat
De techniek van een vlakbandkabel is eenvoudig. De fouten zitten vrijwel altijd in het ontwerp eromheen.
- Te veel laadpunten zonder laadbeheer. Zonder laadbeheer is de gelijktijdigheid 1. Meer dan drie laadpunten van 11 kW op een 63 A-streng kan dan niet, hoe onwaarschijnlijk het ook is dat iedereen tegelijk laadt.
- Doorlussen door de laadpaal. De streng stopt niet bij de eerste laadpaal om daarna via de klemmen van de laadpaal verder te gaan. Tak elk laadpunt af vanaf de vlakbandkabel, zeker bij laadpalen die niet op 63 A doorvoer zijn berekend.
- Geen eindkap. Het open einde van de streng lijkt onschuldig, maar daar liggen vijf aderuiteinden bloot. Een eindkap maakt het einde aanraakveilig en IP65.
- Een PVC-vlakbandkabel open langs de wand. Sinds het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.45a) mag een kabel met brandklasse Eca niet meer in contact staan met binnen- of buitenlucht, ook niet bij verbouw. Een kabel die zichtbaar langs de wand loopt, heeft minimaal rookklasse s2 nodig en een brandklasse die per gebruiksfunctie in tabel 4.42 staat. De Wieland Podis LSHF heeft B2ca-s1,d1,a1 en zit daarmee aan de veilige kant. Check bij een andere kabel altijd de CPR-klasse op de mantel of het datasheet.
- Alle eenfasige auto's op L1. Sluit je elke aftakking in dezelfde volgorde aan, dan laden alle eenfasige auto's op L1 en blijven L2 en L3 leeg. Schuif de fasen per laadpunt cyclisch door (L1-L2-L3, L2-L3-L1, L3-L1-L2), zodat de draairichting gelijk blijft, en leg de fasevolgorde per laadpunt vast in het laadplatform. Dan weet het laadbeheer welke fase het belast.
- De voedingskabel vergeten in de spanningsval. De 5% geldt vanaf de aansluiting. Een lange voedingskabel naar een garage onder het gebouw kan al de helft van het budget opmaken voordat de streng begint.
Veelgestelde vragen over vlakbandkabels
De vragen die we van installateurs en VvE's het vaakst krijgen.
Een vlakbandkabel is een platte voedingskabel waarin de aders naast elkaar liggen in plaats van gebundeld. De gangbare uitvoering voor laadpalen is 5G16: vijf aders van 16 mm², belastbaar tot 63 A per fase. Je takt af met modules die met piercing-contacten door de isolatie op de aders drukken, zonder de kabel door te knippen. Daardoor kun je op elke plek langs de kabel een laadpunt aansluiten, ook later nog.
Zonder laadbeheer reken je met een gelijktijdigheid van 1, dan passen er op een 63 A-streng drie laadpunten van 11 kW. Met dynamisch laadbeheer en minimaal 6 A per laadpunt kunnen er 10 auto's tegelijk driefasig laden, of 30 eenfasig als de laadpunten over de fasen zijn verdeeld. Wieland noemt zelf maximaal 20 laadstations per streng.
Het Besluit bouwwerken leefomgeving eist geen halogeenvrije kabel, maar wel een minimale brand- en rookklasse. Een kabel met brandklasse Eca mag niet in contact staan met binnenlucht, dus niet open langs de wand. Een halogeenvrije LSHF-kabel met B2ca-s1,d1,a1, zoals de Wieland Podis, zit aan de veilige kant. Controleer daarnaast altijd het bestek.
De koperdoorsnede is gelijk, het verschil zit in het aftakken. Bij een ronde kabel moet je voor elke aftakking de kabel doorknippen en in een verdeeldoos opnieuw verbinden. Bij een vlakbandkabel plaats je een module op de kabel en blijft de hoofdleiding heel. Een ronde kabel gebruik je voor de voedingskabel naar de streng, de vlakbandkabel voor de streng zelf.
Ja. De eWall-vlakbandkabel van Top Cable en de Wieland Podis LSHF zijn allebei 5G16 met een profiel van 48 bij 11,5 mm, en werken met dezelfde Wieland-aansluitmodules en eindkap. Je kiest dus op brandklasse en beschikbaarheid, niet op het modulesysteem.
Kabel per meter, aansluitmodules, dubbele uitgangen, RST-connectoren, eindkappen en beugels: alles voor een complete streng vind je op onze pagina vlakbandkabels, ook af te halen in Utrecht. Wil je een streng laten doorrekenen voor een concreet project? Neem contact op met onze specialisten.